Stortplaatsen

In Nederland liggen zo’n 4.000 voormalige stortplaatsen. Daarvan zijn er nog enkele in bedrijf. Deze hebben een Wm-vergunning en zijn ingericht conform het Stortbesluit bodembescherming dat in 1996 van kracht werd. Het stortbesluit stelt hoge eisen aan de inrichting, exploitatie, afwerking en nazorg van stortplaatsen.

Stortplaatsen zonder milieubeschermende voorzieningen, of in enkele gevallen een onder- en/of bovenafdichting en systemen voor afvang van gas en percolaat, werden voor 1996 gesloten. Deze zijn te beschouwen als een geval van verontreinigde grond conform de Wbb en vallen dus niet onder het Stortbesluit.

In een stortplaats vinden processen plaats zoals zetting/klink, biologische processen, infiltratie van regenwater, uitlogen/oplossen. Die processen kunnen leiden tot grondwaterverontreiniging.

Stortplaatsen

In vele opzichten zijn voormalige stortplaatsen vergelijkbaar met een immobiele bodemverontreiniging. Voormalige stortplaatsen met relevante risico’s voor de bodem en/of omgeving blijven bij het Wbb-bevoegd gezag.

De gesloten stortplaatsen hebben een aantal bijzonderheden:

  • Paalfundering: Het creëren van lekstromen waarmee mogelijk verontreinigd grondwater zich in verticale richting kan verspreiden moet zo veel mogelijk voorkomen worden. Evenals het dieper duwen van stortmateriaal door heipalen
  • Handelingen in het stortmateriaal: Bij deze handelingen kunnen immers diverse fysisch-chemische processen optreden die een risico voor de gezondheid en het milieu kunnen vormen
  • Stortgas: Er moet rekening worden gehouden met mogelijke ophoping van stortgas (uitdamping) in bijvoorbeeld kruipruimtes of kelders
  • Aanwezigheid van milieubeschermende voorzieningen: onder het regiem van de afvalstoffenwet (voorloper van de Wet milieubeheer) zijn enkele stortplaatsen voorzien van een onder- en/of bovenafdichting. Er kan sprake zijn van opvang en afvoer van percolaat en ook kan er stortgas worden onttrokken en verwerkt. Aanwezige voorzieningen dienen langdurig in stand te worden gehouden.

In de Omgevingswet wordt géén onderscheid meer gemaakt tussen stortmateriaal, demping, bodem, vervuiling, et cetera, maar wordt gerefereerd aan de fysieke leefomgeving.

Bij gebiedsontwikkeling van terreinen met een voormalige stortplaats zal men daarom alert moeten zijn op  bovengenoemde bijzonderheden.

Door een stortplaats als een systeem te benaderen kunnen milieuaspecten relatief makkelijk gekoppeld worden: immers, geur, grondwater, bodemverontreiniging, beheer en monitoring hebben alle een plek in omgevingsplannen. Een notie in het omgevingsplan dat een stortplaats bepaalde specifieke kenmerken heeft, is daarbij noodzakelijk.

Contactpersoon

Lex Stax: zelfstandig adviseur.
Lex.stax@omgevingsatelier.nl

René Smolders
senior medewerker van de gemeente Breda

De filosofie van de Omgevingswet

Op basis van de Omgevingswet worden gesloten stortplaatsen beschouwd als onderdeel van de fysieke omgeving. Dit vraagt om een integrale benadering die verder gaat dan een stort slechts te beschouwen als een immobiele verontreiniging

De maatschappelijke opgave

De maatschappelijke opgave

Stortplaatsen zijn zowel een obstakel voor maatschappelijke opgaven als mogelijk een oplossing. Denk aan ruimte voor recreatie, voor vergroening of bebouwing (onder voorwaarden). In de bouwsteen worden de mogelijkheden beschreven.

Het natuurlijk systeem van de bodem

Het natuurlijke bodemsysteem

Een gesloten stortplaats is nog altijd een bodemverontreiniging die om beheer vraagt. Dat moet op lokaal niveau goed geregeld worden.